“Onze eerste deelnemers stonden gepland net na de ingang van de lockdown”

“Onze eerste deelnemers stonden gepland net na de ingang van de lockdown”

juni 2, 2020 0 Door Karen

De coronacrisis treft ons allemaal. Ook de universiteiten hebben hun werking drastisch moeten aanpassen, en menig student zal dat geweten hebben. Maar hoe zit het met de universiteit als onderzoeksinstelling? Met welke aanpassingen krijgen onderzoekers te maken? Ik sprak met Celine Samaey (24), doctoraatsstudente klinische psychiatrie aan de KU Leuven. Een gesprek over onderzoek en mentale gezondheid, binnen en buiten de crisis.

Celine onderzoekt het effect van kindertrauma op de ontwikkeling van adolescenten. Haar doctoraat maakt deel uit van een groter project, waarbij zowel de neurologische als psychologische gevolgen van kindertrauma worden onderzocht. “Mijn focus ligt bij emotieverwerking en angstgeneralisatie. We testen hiervoor jongeren tussen 12 en 16 jaar. Ze worden gevraagd enkele taakjes uit te voeren en we maken gebruik van EEG, waarmee we de hersenactiviteit kunnen meten.”

Wat wordt er in je onderzoek juist bedoeld met ‘trauma’?

Het soort trauma dat wij bestuderen is interpersoonlijk trauma met intention to harm. Het gaat over jongeren die iets hebben meegemaakt waarbij iemand bewust hen iets slecht wou aandoen, zoals bijvoorbeeld bij kindermishandeling. Er zijn natuurlijk ook andere soorten ervaringen die erg traumatisch kunnen zijn, zoals het overlijden van een familielid, maar dat bestuderen we in dit onderzoek niet. Het is die intention to harm die een serieuze impact lijkt te hebben op de hersenen en de ontwikkeling van jongeren en dat willen we graag in kaart brengen.

En wat wil je daar precies in onderzoeken?

Het onderzoek draait vooral rond angstgeneralisatie. Dat is het fenomeen waarbij je als je leert bang te zijn voor iets, je die angst ook zal generaliseren naar gelijkaardige dingen. Als je bijvoorbeeld ooit gebeten zou worden door een labrador, zal je waarschijnlijk nadien niet enkel bang zijn van die specifieke labrador, maar van alle labradors of zelfs alle honden. Maar ook in andere contexten komt dit fenomeen voor, en dat willen we onderzoeken. Mijn hypothese is daarbij dat angstgeneralisatie groter is bij jongeren die traumatische ervaringen hebben meegemaakt.

Hoe pak je dat onderzoek juist aan?

We gaan specifiek kijken of er een onderscheid is tussen jongeren die wel en geen klachten ontwikkelen. Dat onderzoeken we door de jongeren verschillende taakjes te laten uitvoeren. Bovendien testen we hun emotieverwerking met gebruik van EEG. Er zijn al verwante studies gedaan die gebruik maken van fMRI, een andere manier om hersenactiviteit te meten, maar met EEG zoals wij het aanpakken is het nog nooit bestudeerd. We testen de jongeren nu en binnen twee jaar opnieuw. Maar door de vertraging blijft het afwachten of ik er dan nog bij zal zijn of niet…

Heb je door de coronacrisis veel vertraging opgelopen?

Toch wel. De eerste deelnemers in onze studie stonden gepland in de tweede helft van maart, net na het ingaan van de strengere maatregelen. Ons onderzoek was eigenlijk al langer klaar om van start te gaan, maar we hebben lang problemen gehad met een testlokaal dat niet vrij gemaakt werd. Het onderzoek zou namelijk plaatsvinden in een klinisch lokaal in Gasthuisberg, dat voor ons omgebouwd moest worden tot onderzoekslokaal. Toen dat eindelijk in orde was en de deelnemers ingepland stonden, brak corona door en moesten we de eerste deelnemers afbellen. We hebben dit net zelfs een tweede keer moeten doen. We hadden hen namelijk opnieuw ingepland eind mei, wat we toen wel als haalbaar achtten. Maar vorige week hebben we hen afgebeld om te zeggen dat het dat ook niet wordt.

Heb je er een zicht op wanneer de experimenten wel zullen kunnen doorgaan?

We hadden aangevraagd om opnieuw te starten vanaf half mei, maar dat is niet goedgekeurd. Begin juni zouden we nu meer informatie moeten krijgen, maar voorlopig weten we dus nog niets. Ergens is het ook wel logisch omdat we aan risico-onderzoek doen, en geen klinische interventiestudie zijn. Ze geven natuurlijk voorrang aan onderzoek met patiënten die zelf echt ziek zijn, maar dat is bij ons niet het geval. En we waren bovendien dus nog niet gestart, wat ook niet in ons voordeel speelt.

Buiten het uitstel van het onderzoek zelf, welke zaken zijn voor jou nog veranderd door de komst van de crisis?

Het was een heel stresserende periode kort voor de ingang van de lockdown, onder andere omdat we onze testsessies moesten voorbereiden. In eerste instantie hebben we die voorbereiding nog wel verder afgewerkt zoals we anders zouden gedaan hebben, maar dan aan 100% in plaats van de 200% inzet van voordien.

100% lijkt mij nog altijd genoeg…

Ja, maar voor mij voelde het toch al aan als rust en dat was heel leuk. Het was ook zeker nodig, ergens kwam de crisis wel op een goed moment, om het zo te zeggen. Er zijn ook taken weggevallen, zoals bepaalde meetings, die weliswaar plaats hebben gemaakt voor andere meetings over bijvoorbeeld het heropstarten en indienen van formulieren. Nu bestaat mijn taak vooral uit het begeleiden van een bachelorstudent, het werken aan een reviewpaper en zorgen dat we klaar zijn om van start te gaan vanaf de moment dat we dat weer mogen.

Hoe verloopt de begeleiding van de student in deze tijd?

De student zou normaal in het kader van zijn bachelorproef vijf weken mee helpen met de testsessies, wat dus uiteraard nu niet kan. We hebben dat proberen compenseren door hem onder andere zelf een eigen onderzoeksvraag te laten opstellen, waardoor hij ervaring heeft kunnen opdoen met hypotheses op te stellen. Hij heeft ook data van de pilootstudie geanalyseerd. We hebben elkaar een paar maanden geleden een keer in het echt ontmoet, maar voor de rest zien we elkaar nu elke dag kort via Skype.

Werk je zelf nu dan ook van thuis?

Ik werk nu inderdaad de meeste dagen thuis, en persoonlijk vind ik het een verademing. Ik kan beter afstand nemen en mijn dag inplannen zoals ik het wil, als ik eens langer middagpauze wil nemen kan ik dat ook op een fijne manier doen. Meestal zijn er minder mails, en ik heb het gevoel dat ik het me meer kan permitteren dan op kantoor om ze later te beantwoorden. Ik vind het makkelijker om grenzen te stellen en ook om de juiste prioriteiten te stellen.

Om nog even op je onderzoek terug te komen: zie je een verband tussen de coronacrisis en wat je onderzoekt?

Ja, omdat we te maken hebben met heel kwetsbare jongeren. We hebben ook gezonde jongeren, maar een groot deel van de deelnemers komt bij ons terecht vanuit een vertrouwenscentrum voor kindermishandeling. Het gaat daarbij om jongeren die in een wettelijk bepaalde mishandelingssituatie gezeten hebben of zitten. De crisis heeft natuurlijk superveel impact op die jongeren. Want er vanuit gaande dat ze nog steeds in dezelfde situatie zitten, is het natuurlijk erg nefast om thuis te moeten blijven zitten. Dus het hele debat over kwetsbare jongeren van thuis weghalen op dit punt in de lockdown, daar voelen wij met mee.

Zou de crisis hierdoor ook een impact kunnen hebben op de resultaten van jullie onderzoek?

Ja, mogelijks wel. Enerzijds gaat de situatie van kinderen met trauma nog erger worden, anderzijds vermoed ik dat het aantal klachten bij gezonde jongeren, zoals wij ze noemen, ook toenemen. Want zij zitten natuurlijk ook met veel angst en onzekerheid ten gevolge van de crisis.

Tot slot, tot wat zou je onderzoek in de toekomst kunnen leiden?

Het gaat om erg fundamenteel onderzoek, dus zonder een concrete toepassing voor ogen. Het bredere plaatje van het onderzoek is dat we de invloed bestuderen van trauma op de amygdala en hippocampus, hersendelen die te maken hebben met emotieverwerking en angstgeneralisatie. We willen daarbij weten hoe dat proces gebeurt, waarom het gebeurt, en bij wie wel en wie niet in de ontwikkeling. Twee collega’s doen een gelijkaardig project bij jongvolwassenen, waarbij ze deelnemers laten fietsen. Het is namelijk geweten dat er bij trauma minder activatie is van de hippocampus, maar sporten stimuleert die activatie. De vraag die zij onderzoeken is of mensen met trauma dus baat hebben bij sporten, wat zou kunnen leiden tot een toepassing in alternatieve therapie. Maar mijn eigen onderzoek is veel fundamenteler, het draait bij mij echt om de ‘waarom-vraag’. Zo kunnen we een goede basis vormen om later verder op door te bouwen met meer onderzoek.